Happy Birthday in heaven, François!
- Jim Neyt

- 14 mrt 2022
- 2 minuten om te lezen
Eén zaak had de jonge Sterchele, geboren op 14 maart in 1982 als zoon van een Hasseltse moeder en Italo-Belgische vader, zich in zijn hoofd gestoken. Hij zou profvoetballer worden. Koppig dreef hij door. Vergeefse moeite, zo leek het lang. Want de Luikse laatbloeier -pas op zijn drieëntwintigste belandde hij in de hoogste afdeling- was ook een laatgroeier. Het magere ventje kreeg pas laat zijn groeischeut en werd door de trainers van Club Luik over het hoofd gezien wegens te klein. Zijn kapbeweging en fijne balbehandeling ten spijt.
Pas bij provincialer Kelmis kon Sterchele aan zijn steile opmars richting top beginnen: meer dan 20 goals bij Kelmis, 30 bij OH Leuven, 12 in zijn eerste jaar eerste klasse bij Charleroi en 21 bij Germinal Beerschot. Dat laatste boerenjaar leverde hem een miljoenentransfer naar Club Brugge op en een plaatsje in de kern van de Rode Duivels. Maar de droom was nog niet volledig vervuld. Sterchele had nog grotere dromen. Topscorer worden bij Club Brugge en ooit in de Italiaanse Serie A voetballen, de competitie van zijn hart. Luca Toni was zijn idool, AC Milan zijn lievelingsclub.
Hij hield zo van het leven. “Ik leef met een lach, ik wil me gewoon amuseren”, benadrukte hij. Zorgen lachte hij weg, als hij er al had. Van niks trok hij zich iets aan, ook niet toen hij in dat tussenseizoen een hoofdrol speelde in zijn eigen transfersoap. Hij stuurde Anderlecht en Standard ondanks mondelinge akkoorden wandelen en koos voor Club Brugge. Een zet die hem in Luik en Brussel de bijnaam ‘Judas’ opleverde en fluitconcerten tijdens de onderlinge confrontaties. Dat deerde hem niet. Hij kickte op het gefluit en had er zelfs plezier in: bekje trekken, schunnig gebaartje, een provocerend vingertje. Dat sommigen er zich mateloos aan ergerden, nam hij er met de glimlach bij- en was hij luttele seconden later alweer vergeten, onbezorgd als hij door het leven stapte.
Weinigen kunnen zich herinneren dat Sterchele ooit in een dipje zat. Of hij toonde het nooit. Want voor velen zal hij, naast een talentrijke voetballer, die lolbroek blijven, nooit verlegen om een frats. Vooral kattenkwaad uit zijn schooltijd, de betere kleedkamerhumor en verbale uitspattingen. Want hij had altijd een antwoord klaar. Vaak niet serieus, maar zo was hij nu eenmaal, in zijn uitspraken soms flirtend met de dunne lijn tussen arrogantie en zelfbewustzijn.
Zijn grootste kwaliteit volgens hemzelf: dat hij zichzelf niet au sérieux nam. Van hem aanvaardde je dat, vreemd genoeg. Zijn natuurlijke flair, dat snufje speelvogel. Zelden sprak iemand een kwaad woord over hem. De fans van de tegenpartij uitgezonderd. Door iedereen was hij graag gezien, het eigen publiek voorop.
Een jongen van het volk dus, maar evenzeer voelde hij zich thuis in het glitter- en glamourwereldje. Als een echte ster was hij niet vies van knappe vrouwen, chique kleren, blitse wagens en het uitgaansleven. Hij heeft immers nooit ontkend dat hij graag gezien wilde worden. Op het veld deed hij dat met zijn klasse, zijn gekleurde sloefjes (nooit heeft hij zwarte voetbalschoenen gedragen), polsbandjes en het opvallend vieren van goals. Een ster was geboren... Nu schitter je voor altijd aan onze Blauw-Zwarte hemel.



Opmerkingen